Wat we Aanbieden
Kleuters
Lagere School

WAT WE AANBIEDEN


Onze school wordt door de Vlaamse overheid gesubsidieerd en biedt onderwijs voor kinderen van 2,5 tot 12 jaar.
We hebben drie kleuterklassen en een volledige lagere school.
We volgen het leerplan van de Federatie van Steinerscholen in Vlaanderen.

Op regelmatige basis gebeuren inspecties en doorlichtingen.
We hebben een sterk uitgebouwd zorgbeleid en worden extern door het Vrije CLB van Aalst (Langestraat) ondersteund.

Onze school biedt na de zesde klas aansluiting op de meest diverse richtingen van het secundair onderwijs.
Naast de secundaire ASO-richting van het eigen vervolg onderwijs in de Steinerscholen van ondermeer Gent, Brugge, Anderlecht, Antwerpen Lier en Leuven en de BSO-richting te Lier, stroomden ook jaarlijks kinderen met goed gevolg door naar de plaatselijke secundaire scholen (Algemeen, Technisch en Beroepsonderwijs).




De pedagogie vindt haar uitgangspunten en inspiratie in de antroposofie, de geestes-wetenschap door Rudolf Steiner, in het begin van de vorige eeuw, op de wereld gezet.
Alle steinerscholen over de hele wereld zien opvoeding en onderwijs als twee onverbrekelijke componenten: het begeleiden tot een harmonische persoonlijkheid en het aanreiken en aanleren van vaardigheden en kennis, in overeenstemming met de ontwikkelingsfase van de leerling.
De scholen zijn onderdeel van een bredere sociale beweging.
Ook bio-dynamische landbouw, antroposofische geneeskunde en de bewegingskunst euritmie maken daar deel van uit.
Ieder op zijn gebied poogt een antwoord te zoeken op reële vragen van onze tijd.



Overzicht van de schooltijden

maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag: 8u30 - 15u
woensdag: 8u30 - 12u
naschoolse opvang: alle dagen tot 17u45, behalve op woensdag.
Voorbewaking: alle dagen vanaf 7u45.




DE ONTWIKKELING ALS UITGANGSPUNT

De Steinerscholen verstrekken net als andere scholen onderwijs,
maar in het leerplan dat de Steinerscholen in Vlaanderen volgen, vinden we als aanknopingspunt : niet wat de samenleving (vanuit economisch of maatschappelijk oogpunt) als leerdoelen formuleert, maar de gezonde ontwikkeling van de jonge mens.

In de ontwikkeling van de jonge mens onderscheiden we enkele fasen. Deze van kleuter, (school)kind en puber.




ADEMEN EN BEWEGEN

We willen een school zijn waar ruimte is om de wereld vanuit de klassen in steeds grotere kringen te verkennen, waar kinderen tot spel komen en waar ze mee ademen met de natuur in de tuin en de omgeving.
We zijn gelegen middenin het groen en trachten op onze school open ruimte te bewaren voor spel en beweging.

In de klassen wordt aan dezelfde kwaliteiten veel zorg besteed: ademend, bewegend onderwijs is voor ons een pedagogische realiteit waaraan de kinderen zich ontwikkelen. Het onderwijs gebeurt vanuit de ademende stroom van het lichaam en het gemoed. Eerst uitbundig bewegend en dan weer verstild, verwerkend, innerlijk actief. Iedere dag en iedere les wordt zo opgebouwd.




DE KLEUTER

Een zorgvuldige waarneming van de ontwikkeling van de kinderen in hun eerste zeven levensjaren, maakt de fundamentele opgaven voor het kleuteronderwijs zichtbaar.

Onze grote zorg moet in de kleutertijd uitgaan naar een gezonde ontwikkeling van de zintuigelijke vermogens, naar gezonde gewoontevorming, naar het ritmiseren van het dag- en weekverloop, naar een gezond slaap-waakritme
en naar de ondersteuning van een gezonde orgaanvorming via waarachtige gebaren in de omgevingsruimte en de activiteiten.

Bovenal moet er veel ruimte zijn voor beweging.
De kinderen moeten tot hun zevende levensjaar in de gelegenheid gesteld worden om hun lichamelijkheid ten volle te ontwikkelen in spel en beweging en daardoor een basis te leggen voor een gezond wilsleven en een in de ruimte en tijd ingebedde beleving.


EEN OPVOEDING DIE HET JONGE KIND SERIEUS NEEMT, NEEMT DAARVOOR DE TIJD.


De kleutertijd is de gouden tijd waarin het kleine kind door middel van zijn rijke fantasie en de nabootsingskracht al spelend zijn vrijheid beleeft en ontplooit. Dank zij schoonheid en harmonie, ritme en geborgenheid in het klasje ontwikkelt het kind zijn vertrouwen in het leven.
Zijn wil wordt nu gevormd. Sprookjes en kunstzinnig bezig-zijn, naast vrij spel, kringspel, samen eten, zingen en dansen maken zo'n kleuterdagje weloverwogen vol.

Elke dag verloopt in een vast ritme: een houvast voor ieder kind waardoor het zich kan ontplooien en groeien.
Rond half negen brengen de ouders hun kleuters tot bij hun kleuterjuf of -meester. Na het ochtendritueel komen ze tot verschillende activiteiten: tekenen, kringspelen, arbeidsspelen, brood bakken, soep maken, verhalen ...

De poppenhoek, het keukentje en de bouwhoek nodigen uit tot een vrij fantasiespel.





OVERGANG NAAR DE LAGERE SCHOOL

Er is een tendens waar te nemen om het schoolse leren steeds maar te vervroegen.
Ouders met kinderen van vijf, zes jaar kijken over het muurtje van de kleutertuin en kunnen vaak het geduld niet meer opbrengen om hun kind nog te laten wachten met lezen en rekenen.
Toch is het dit wat de Steinerscholen vragen.
In de visie die de Steinerscholen hanteren, dienen kinderen ten volle hun eerste ontwikkelingsfase te hebben afgerond. Gedurende de eerste zeven levensjaren worden de organen en zintuigen ontwikkeld en wordt in spel en beweging de basis gelegd voor een goed lichaamsbesef en een gezonde wilsontwikkeling.
De ontwikkeling van de zintuigen, het aanbieden van ritme en regelmaat, de vorming van zinvolle gewoonten, het bieden van gelegenheid tot nabootsing, de aanmoediging van de motorische ontwikkeling, de waarneming en de spraak, dit alles is in de eerste zeven jaren aan de orde.

Rond het zevende levensjaar komt het moment dat kinderen klaar zijn voor onderwijs. Het geheugen en de waarneming komen vrij uit de lichaamsgebonden ontwikkeling. Een ruimte komt vrij voor leren.

Bij de overgang van de kleuterschool naar de lagere school wordt een uitgebreid schoolrijpheidsonderzoek afgenomen. Dit gebeurt bij kinderen die rond Pasen hun zevende jaar zijn ingegaan. Voor kinderen die voor 1 mei nog geen zes zijn geworden, wordt aangeraden nog een jaartje in de kleuterschool door te brengen.





DE LAGERE SCHOOL

JAARKLASSEN

In de lagere school zitten de kinderen in homogene leeftijdsgroepen.
Dit maakt het mogelijk de leerstof in de verschillende leerjaren op de ontwikkeling af te stemmen.

PERIODE-ONDERWIJS

De algemene vakken gebundeld in periodes aan de leerlingen gebracht: Nederlands, Wiskunde, Geschiedenis, Aaardrijkskunde... Gedurende enkele weken verdiept men zich met de hele klas intens in een vak, alle dagen van de week gedurende de eerste uren van de dag. Deze aanpak maakt het mogelijk een onderwerp langs verschillende kanten te benaderen en op vele kunstzinnige manieren te verwerken.
Nadien is er ruimte voor vaklessen als talen, houtbewerking, tuinbouw, muziek
(blokfluit, zang,...), toneel, schilderen, vormtekenen, tekenen, boetseren, lichamelijke opvoeding (spel en sport, toestelturnen, zwemmen), wandelen, euritmie, handwerken naargelang de leeftijd van de kinderen of jongeren.
Op deze wijze trachten we vele talenten en mogelijkheden te doen ontkiemen, intellectueel, kunstzinnig en inzake handvaardigheid.



EEN VERBINDING MET DE WERELD AANGAAN
- VOELEN

Wanneer het kind zeven jaar wordt, kan met een onderwijs worden gestart dat zich op de wereld richt en vaardigheden helpt ontwikkelen die nodig zijn om met deze wereld een verbinding aan te gaan.

Leren lezen, rekenen en schrijven en een verkenning van de wereld moet in dit licht gebeuren: altijd weer moeten we erop bedacht zijn de kinderen een gezonde verbinding te helpen aangaan met de wereld waarin zij leven.

Gezond is in deze leeftijdsfase een verbinding die gaat via het gevoel.
In de lagere school staat het gevoel centraal.
Het zieleleven wordt via een kunstzinnige aanpak, een rijke beeldenwereld en een scholing van de waarneming, tot ontwikkeling gebracht.

Het taalonderwijs, het omgaan met de rekenkundige ordeningen en de verkenningen van cultuur en natuur, zijn dienstbaar aan de ontplooiing van de individualiteit.

De taak van het onderwijs is niet om de individualiteit van een kind te vormen, maar om deze zichtbaar te maken. Dit op een wijze dat deze individualiteit zich vrij vanuit de eigen vermogens met de wereld kan verbinden.

- DENKEN ALS MORELE OPGAVE

Via een innerlijke betrokkenheid op de wereld kan het denken als morele opgave tot rijping worden gebracht.

Opvoeding tot vrijheid betekent immers niet: leren om te doen waar je zin in hebt.
De vrijheid die wordt beoogd is een innerlijk vermogen om initiatief te nemen en dit vergt scholing.

In ons leerplan staan kennis en vaardigheden niet centraal omwille van zichzelf, maar ze staan ten dienste van de ontwikkeling.
De ontwikkeling van de lichamelijke, gevoelsmatige en verstandelijke vermogens te stimuleren zodat de ziel en de geest zich erin kunnen uitdrukken, is de hoofdopdracht van het onderwijs.
Vakken zoals Taal, Rekenen en Wereldoriëntatie worden zo geoefend dat de beleving van het kind wakker worden gemaakt vanuit de ervaring ‘hoe mooi, wat zit dat alles goed in elkaar’.

- WILLEN

Steeds uitdrukkelijker wordt de opvoeding van de wil een belangrijke opgave voor wie de toekomstkrachten in de jonge kinderen wil helpen ontwikkelen. Via gewoontevorming, ritme en zelfwerkzaamheid willen we de kinderen sterken om in de eigen wil de motieven voor hun handelen tevoorschijn te halen.
In handwerkvakken die tot eigen werkstukken leiden en in de dagelijkse opbouw van het onderwijs wordt de wilsstroom gesterkt en gevoed.


DE LEERKRACHT

De schoonheidservaring die bij kinderen in de lagere school sterk aanwezig is, verloopt op deze leeftijd steeds nog via de volwassenen.
Daarom worden geen handboeken als leermiddel gehanteerd, maar gebeurt de overdracht van mens tot mens.
De leerkracht dient zichzelf als mens te verbinden met de wereld, moet als mens van de wereld datgene in de klas tot leven brengen dat bij de ontwikkeling van de kinderen aansluit en wel zo dat het enthousiasme om te leren en te oefenen wordt gewekt. Waar de ontwikkeling is belemmerd, zal de leerkracht in de lagere school allerlei middelen kunnen aanwenden om kinderen te helpen aansluiting te vinden. Het zal er voornamelijk om gaan te enthousiasmeren.
De vertelstof, de heemkunde, de geschiedenis, plant-, dier- en menskunde, maar ook de spraak, grammatica en rekenwerk zijn evenveel gelegenheden daartoe.




GEZONDMAKING VAN HET LEVEN

Het werken in perioden, waarbij gedurende een aantal weken na elkaar een onderwerp of vakonderdeel kan worden uitgediept, maakt dat de band met het onderwerp innig kan worden. Het kunstzinnige verwerken van de leerstof en de periode van bezinken die volgt, maken dat de leerstof kan doordringen tot het innerlijk van het kind.
De leerstof kan dan gezondmakend werken.
Gezondmaking van het leven is ook gedurende de lagere schoolleeftijd een hoofdopgave voor het onderwijs.













DOOR EEN JUISTE VERBINDING TUSSEN WAARNEMING EN DENKEN, TUSSEN VOELEN EN WILLEN, KAN HET ONDERWIJS AAN DE SAMENLEVING MENSEN TOELEVEREN DIE KUNNEN ZORG DRAGEN, DIE DE NODEN EN BEHOEFTEN VAN ANDEREN ZIEN EN DIE DENKEND TOT OPLOSSINGEN KOMEN VOOR DE VELE PROBLEMEN WAARMEE DE WERELD WORDT GECONFRONTEERD.